Log in

Klik hier om in te loggen


Wachtwoord vergeten?

Nog geen inlog? Registreer nu
Om misbruik van dit formulier door spamrobots te voorkomen, vragen wij u hier het controlewoord stowa in te vullen!
Zoetwatervoorziening / Fresh water > Verzilting > Effecten klimaatverandering op landbouw
Idee / verkenning
>
Effecten klimaatverandering op landbouw
INHOUD
INLEIDING

Landbouw is een belangrijke pijler van de Nederlandse economie door de productie van voedsel en de export van landbouwproducten. De opbrengsten van gewassen in de landbouw zijn de afgelopen eeuw enorm toegenomen. De Nederlandse land- en tuinbouw draagt voor 10% bij aan de Nederlandse economie en werkgelegenheid, en de jaarlijkse exportbedraagt ongeveer € 65 miljard aan agrarische producten. Landbouw beslaat de meeste ruimte in Nederland en draagt zo belangrijk bij aan maatschappelijke en ecologische diensten, zoals landschapskwaliteit, recreatie en biodiversiteit.

De verandering van het klimaat kan grote gevolgen hebben voor de landbouw, niet alleen door direct veranderende  omstandigheden voor gewassen (zachte winters, meer droogte, C O2-concentratietoename e.d.), maar ook door indirecte effecten, zoals nieuwe ziekten en plagen, behoeften aan andere teelten (bijvoorbeeld biobrandstoffen) en risico’s van bedrijfsvoering (oogstzekerheid). Zowel voor de sector als voor overheden is het belangrijk om goed te anticiperen (adaptatie) op de risico’s en kansen.

In deze deltafact wordt ingegaan op klimaatverandering, de effecten daarvan op gewasopbrengsten in de landbouw, de rekenmethodes en modellen die worden toegepast om effecten te voorspellen en mogelijkheden voor adaptatie. Veel van de informatie is ontleend aan de onderzoeksprogramma’s Klimaat voor Ruimte en Kennis voor Klimaat. Mitigatie van klimaatverandering door de landbouw valt buiten het kader van deze deltafact.

Klimaat voor Ruimte bestudeerde de gevolgen van klimaatverandering en manieren om daarmee om te gaan, toegesneden op het ruimtegebruik en ter ondersteuning van de besluitvorming over de toekomstige inrichting van ons land. Dit programma is in december 2011 afgesloten.

Kennis voor Klimaat richt zich vooral op kennis en de organisatie van kennis om Nederland 'climate proof' (klimaatbestendig) te maken. De ambitie daarbij is om Nederland klimaatbestendiger te maken en dit met de bijbehorende kennis en ervaring te etaleren ter versterking van het vestigingsklimaat en de exportpositie van klimaat- en deltatechnologie.

Om kennis te bundelen over klimaatverandering is een Klimaatportaal opgezet door het Platform Communication on Climate Change (PCCC). Het PCCC is een samenwerkingsverband van klimaatwetenschappers van PBL, KNMI, NWO, WUR, UU, ECN, VU-A’dam, TNO en Deltares. Het klimaatportaal is de digitale toegang van de Nederlandse kennisinstituten waar op een geïntegreerde manier actuele kennis over het klimaat, klimaatverandering, gevolgen daarvan, aanpassingsmogelijkheden daarvoor en mitigatiemaatregelen ter beschikking staat voor beleidsmakers, bedrijfsleven, belangengroepen, media en publiek.

Naar boven
GERELATEERDE ONDERWERPEN EN DELTAFACTS

Klimaatscenario’s, verzilting, klimaat adaptatie
Gerelateerde deltafacts:  Effecten klimaatverandering terrestrische natuur, bodem als buffer

Naar boven
KLIMAATVERANDERING

De verwachte veranderingen voor het klimaat in Nederland betreffen temperatuur, neerslag, verdamping en weerextremen. Hoe het klimaat verandert is vooral afhankelijk van de wereldwijde temperatuurstijging en van veranderingen in de stromingspatronen van de lucht in onze omgeving (West Europa), en de daarmee samenhangende veranderingen in de windsnelheid en eventueel windrichting. In 2006 heeft het KNMI vier nieuwe klimaatscenario’s voor Nederland opgesteld. Deze geven een beeld van de mogelijke veranderingen in temperatuur, neerslag, windsnelheid en zeespiegelniveau voor een klimatologische periode van 30 jaar en zijn bedoeld om verkennende studies uit te voeren naar de effecten van klimaatverandering en mogelijke adaptatie hierop. Onderstaande tabel geeft een overzicht; links de resultaten voor zichtjaar 2050 en rechts voor 2100.



In elk KNMI'06-scenario komen deels  dezelfde kenmerken van de klimaatverandering naar voren:

  • de opwarming zet door, hierdoor komen zachte winters en warme zomers vaker voor;
  • de winters worden gemiddeld natter en ook de extreme neerslaghoeveelheden nemen toe;
  • de hevigheid van extreme regenbuien in de zomer neemt toe, het aantal zomerse regendagen wordt juist minder;
  • de berekende veranderingen in het windklimaat zijn klein ten opzichte van de natuurlijke grilligheid;
  • de zeespiegel blijft stijgen.

Bedacht moet worden dat de klimaatscenario’s geen uitspraken doen over het weer op een bepaalde datum, maar alleen over het gemiddelde weer en de kans op extreem weer in de toekomst. Het klimaat in het gekozen basisjaar 1990 is beschreven met gegevens van 1976 tot en met 2005. De scenario’s voor 2050 en 2100 zijn representatief voor het klimaat in de periode rond dat jaar (dus tussen 2036 en 2065, en tussen 2085 en 2115).

In een aanvulling (KNMI 2009) concludeert het KNMI dat de in 2006 berekende klimaatscenario's niet zijn achterhaald door recente wetenschappelijke ontwikkelingen. Ook volgens de huidige inzichten beschrijven de vier KNMI’06 scenario’s samen de meest waarschijnlijke veranderingen in Nederland met bijbehorende onzekerheden.  Nieuwe inzichten geven wel aan dat de snelle opwarming in Nederland en West-Europa het beste wordt beschreven in de W/W+-scenario’s. De toename van de intensiteit van zware buien is goed weergegeven in de G/W-scenario’s. Naast mogelijk langdurige periodes met droogte zoals in de G+/W+-scenario’s zullen vooral in de kustzone periodes met natter weer, zoals in de G/W-scenario’s, vaker voorkomen. Het KNMI zal in 2013 opnieuw klimaatscenario’s opstellen. Daarin worden de bovengenoemde inzichten en mogelijke nieuwe inzichten inclusief de ruimtelijke differentiatie meegenomen.

Vooral te natte en te droge omstandigheden beïnvloeden landbouwkundige gewasopbrengsten negatief. Door het IPO zijn kaartbeelden van dergelijke klimaatveranderingspatronen vervaardigd (zie voorbeelden hieronder). Voor het potentiële neerslagoverschot (neerslag minus referentiegewasverdamping) zijn W en W+ respectievelijk het natste en het droogste van de vier scenario’s.



Om effecten van klimaatverandering op landbouwopbrengsten te berekenen zijn meteorologische gegevens over het hele jaar nodig, het liefst op dagbasis. Het KNMI heeft tools ontwikkeld om tijdreeksen op dagbasis van neerslag, referentieverdamping en temperatuur van elk willekeurig meetstation te transformeren naar het toekomstige klimaat. Bij deze transformatie wordt niet alleen rekening gehouden met veranderingen in de hoeveelheid neerslag, maar ook met veranderingen in de verdeling van de intensiteit van neerslagbuien en verschuivingen in de neerslagverdeling over de seizoenen.

Voor het Nationaal Modellen en Data Centrum (NMDC) ontwikkelde het KNMI tools waarmee op eenzelfde wijze ook gegevens over straling, luchtvochtigheid, windsnelheid en temperatuur worden uitgeleverd zodat met het Nationaal Hydrologisch Instrumentarium (NHI) de actuele verdamping volgens de methode Penman- Monteith kan worden berekend. Zo is het mogelijk omrekening tehouden met terugkoppelingen tussen gewasgroei, verdamping en resulterende grondwateraanvulling in een veranderend klimaat. Het KNMI heeft tegenwoordig ook meer zicht op regionale verschillen in de klimaatverandering binnen Nederland. Zo zijn prognoses voor verandering van neerslagpatronen anders voor de kuststrook dan voor het binnenland. Bij de te ontwikkelen tools voor het transformeren van de klimaatreeksen wordt deze ruimtelijke differentiatie ingebouwd.

Naar boven
GEWASOPBRENGSTEN

Gewasopbrengsten en limiterende factoren
Effecten van klimaat op landbouw worden meestal uitgedrukt in effecten op gewasopbrengsten. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in potentiële en actuele opbrengst en soms ook in oogstbaar product. In de onderstaande figuur is dit schematisch weergegeven. De in de linker figuur onderstreepte factoren worden door klimaatverandering beïnvloed.

De potentiële opbrengst is de opbrengst die bij het gegeven klimaat in termen van CO2-concentratie, straling en temperatuur, en de betreffende gewaskarakteristieken gerealiseerd kan worden als het gewas optimaal wordt voorzien van water en nutriënten. De actuele opbrengst is lager omdat a) water- en nutriënten nooit optimaal beschikbaar zijn en/of schade optreedt door zout of andere verontreinigende stoffen en b) de groei beperkt wordt door ziekten, onkruiden en plagen. De potentiële opbrengst kan worden verhoogd door verbetering van rassen (plantenveredeling) en het aanpassen van de zaaidatum. Het verschil tussen de potentiële en actuele opbrengst kan verkleind worden door gebruik van (kunst)mest, bestrijdingsmiddelen, gewasrotatie, beregening, mechanisatie en andere verbeteringen in technologie en gewasmanagement.


Opbrengstdepressie door droogte en wateroverlast
Landbouwgewassen produceren biomassa uit water, CO2 en nutriënten met energie van zonlicht. In de bedrijfsvoering probeert men de omstandigheden voor deze productie te optimaliseren, zodat de planten steeds maximaal kunnen groeien. Als dit proces wordt geremd doordat de watervoorziening niet optimaal is, vertraagt de groei en is er sprake van een opbrengstdepressie. Deze depressie kan komen door te droge of te natte omstandigheden. Te droge omstandigheden leiden tot onvoldoende watervoorziening en verminderde fotosynthese en dat betekent direct minder gewasgroei. Een te droge grond in het voorjaar kan resulteren in vertraagde kieming van zaaizaad en een slechte ontwikkeling van geplante gewassen. Te natte omstandigheden resulteren in onvoldoende zuurstof voor het gewas. Als er geen goede gasuitwisseling (zuurstof en CO2) tussen bodem en atmosfeer kan plaatsvinden kunnen de wortels niet meer functioneren en zelfs afsterven. Ook kan dan stikstofgebrek optreden. Te natte omstandigheden leveren ook indirecte schade doordat de draagkracht van de natte bodem onvoldoende is voor beweiding en voor het berijden en bewerken van het land met machines.

Naar boven
REKENMETHODES GEWASOPBRENGSTEN
In Nederland is een aantalrekenmodellen in gebruik voor het berekenen van landbouwopbrengsten als functie van hydrologische en weersomstandigheden.
  1. HELP-tabellen: 1e versie 1987 (Werkgroep HELP-tabel, 1987), laatste actualisatie HELP-2006 (van Bakel, 2007)
  2. AGRICOM: 1e versie: Wl/Delft 1995, updates 2009-2010, laatste actualisatie 2014 (Mulder en Veldhuizen, 2014)
  3. TC G B-tabellen (Technische Commissie Grondwater Beheer), update 1990 (Bouwmans, 1990)
  4. Ter vervanging van deze verouderde methoden wordt nu gewerkt aan de WaterWijzer Landbouw (zie www.waterwijzer.nl).

Deze rekenmethodes worden hieronder kort toegelicht.

HELP-2006 tabellen
De HELP-tabellen zijn opgesteld om effecten van waterhuishoudkundige werken op de opbrengst van landbouwgewassen vast te stellen ter evaluatie van landinrichtingsprojecten (Werkgroep HELP-tabel, 1987). De tabellen geven op basis van de bodem- en grondwatertrappenkaarten voor grasland en bouwland de langjarig gemiddelde opbrengstdepressies door vochttekort en wateroverlast. De depressies voor vochttekort zijn bepaald op basis van modellering van de vochthuishouding in de onverzadigde zone (model LAMOS). Het met dit model berekende vochttekort wordt gerelateerd aan de opbrengstderving door droogte. De depressies voor wateroverlast zijn geschat op basis van praktijkinzichten en proefveldonderzoek. Ze omvatten de directe en indirecte opbrengstdepressies. De tabellen houden geen rekening met  bedrijfseconomische aspecten of bedrijfsmanagement

De HELP-tabellen uit 1987 zijn in 2006 voor het Waternoodinstrumentarium uitgebreid met meer gewassen en meer bodemtypes, en semi-continu gemaakt. Deze zogenoemde HELP-2006-tabellen zijn als G IS-applicatie beschikbaar om de doelrealisatie landbouw te bepalen voor de huidige of veranderde hydrologische omstandigheden. Ze ondersteunen zo de bepaling van het Gewenste Grond en Oppervlaktewater Regiem (GGOR). In de rapportage van de HELP-2006-tabellen (STOWA, 2007) zijn per onderscheiden gewas of gewasgroep ook op basis van expert judgement geldbedragen per procent reductie in gewasopbrengst gedefinieerd als eerste-orde-effect.
 
De tabellen zijn om meerdere redenen niet geschikt om effecten van klimaatverandering te berekenen (van Bakel, 2011), maar vooral omdat ze gebaseerd zijn op oude, niet reproduceerbare berekeningen met weersgegevens uit de jaren 1950-1980. 

AGRICOM
AGRICOM, een acronym voor AGRIcultural Cost Model, is een agro- economisch model dat op basis van de resultaten van een hydrologisch model kosten en baten voor de landbouwsector in Nederland berekent (Mulder en Veldhuizen, 2014). Dit betreft de effecten van te droge, te natte of te zoute omstandigheden op de Nederlandse grondgebonden landbouw. Het wordt onder andere gebruikt voor de landelijke verkenning zoetwatervoorziening. Het is gekoppeld aan het NHI (Nederlands Hydrologisch Instrumentarium) en gebruikt de volgende gegevens: grondwaterstanden, potentiële en actuele verdamping, beregening met grond- en oppervlaktewater, zoutconcentraties in bodemvocht en/of beregeningswater, landgebruik en bodemtype.

Het model berekent vanuit de hydrologie, gewasopbrengsten voor individuele jaren op basis van schadefuncties die zijn afgeleid voor droogte, inundatie, verdrassing (natte bodems) en zout. Schade door droogte en verdrassing wordt berekend als functie van de ratio tussen de actuele en potentiële verdamping. 
 
AGRICOM is een acronym voor AGRIcultural COst Model. AGRICOM is een agro-economisch model dat op basis van de resultaten van een hydrologisch model kosten en baten voor de landbouwsector in Nederland berekent. Dit betreft de effecten van te droge, te natte of te zoute omstandigheden op de Nederlandse landbouw. De kosten en baten analyse wordt per jaar of over een langjarig gemiddelde periode uitgevoerd. Het AGRICOM model dient ter ondersteuning bij beleidsvragen als: wat zijn kansrijke maatregelen om landbouwschade te voorkomen, wat zijn de neveneffecten voor de landbouw van anti-verdrogingsmaatregelen in natuurgebieden en hoe effcient is beregening.
 
AGRICOM berekent ook de opbrengstverandering voor een langjarige situatie op basis van de HELP-2006 tabellen. Door dezelfde reden als bij de HELP-tabellen is Agricom niet geschikt om effecten van klimaatverandering te berekenen. Voor de droogteschade kan dit worden ondervangen door de gewasopbrengsten met gewasgroeimodellen te berekenen.


TCGB-tabellen
Door de Technische Commissie Grondwater Beheer (tegenwoordig ACSG) zijn tabellen opgesteld om agrariërs te compenseren voor schade aan gewassen die optreden als gevolg van een grondwateronttrekking. In de TCGB-tabellen wordt evenals in de HELP-tabellen nat- en droogteschade onderscheiden. De droogteschade is afgeleid op basis van het vochttekort dat is berekend met het model MUST. Dit model wijkt op enkele onderdelen af van het model LAMOS dat voor de HELP-tabellen is gebruikt, maar is grotendeels vergelijkbaar. Met dit model zijn depressietabellen afgeleid waarmee de depressie voor grasland op zandgrond kan worden vastgesteld voor een individueel jaar op basis van de GVG-GLG-combinatie. Door dezelfde redenen als bij de HELP-tabellen zijn de TCGB-tabellen niet geschikt om gevolgen van klimaatverandering op de landbouwopbrengsten te voorspellen.

WaterWijzer Landbouw
Door waterbeheerders, de landbouwsector, waterleidingbedrijven en andere gebruikers van bovengenoemde methoden is lange tijd aangedrongen op herziening van de methoden. In 2012 is gestart met een omvangrijk project dat moet leiden tot een nieuwe, praktische methode voor het berekenen van landbouwopbrengsten in afhankelijkheid van waterhuishoudkundige omstandigheden. De nieuwe methode moet reproduceerbaar en actualiseerbaar zijn, en klimaatbestendig. De naam voor dat project is WaterWijzer Landbouw. Op basis van bestaande kennis is eerst een operationele versie van het model SWAP opgeleverd, dat droogteschade, natschade en zoutschade berekent (Bartholomeus et al., 2013). Voorbeeldberekeningen laten zien dat a) langjarige gemiddelden kunnen worden bepaald, b) kan worden gerekend voor afzonderlijke jaren, zodat verschillen tussen jaren inzichtelijk worden en c) voor extreme weercondities binnen een jaar. Tenslotte kan ook d) gerekend worden voor klimaatscenario’s. Natschade is in deze modelversie een functie van zuurstofstress en daarmee dus gebaseerd op proceskennis. 

Op basis van de eerste resultaten en toetsing (Hack-ten Broeke et al., 2013) is besloten om WaterWijzer Landbouw door te ontwikkelen. Dat betekent dat een koppeling wordt gemaakt met het gewasgroeimodel WOFOST om zo de potentiële en actuele gewasopbrengst te kunnen berekenen en de opbrengstderving als gevolg van waterhuishoudkundige condities. Eerste bruikbare ervaringen met koppeling van SWAP en WOFOST zijn gepubliceerd door Kroes en Supit (2011) voor grasland. 
 
In WOFOST wordt gewasgroei berekend als functie van CO2-gehalte in de lucht, zonnestraling, temperatuur en gewaskenmerken. De beschikbaarheid van water bepaalt de watergelimiteerde gewasproductie. Het figuur hieronder geeft een schematische weergave van de opbrengstberekeningen in het model WOFOST (Van Ittersum et al., 2012)
 
 
Behalve een koppeling met gewasgroeimodellering beoogt WaterWijzer Landbouw om indirecte effecten van droogte-, nat- en zoutschade te kwantificeren. Mogelijke indirecte effecten zijn de effecten van slechte bewerkbaarheid (bij zaaien en oogsten), van onvoldoende draagkracht voor beweiding of maaien, van afsterven van gewassen, van verhoogde onkruiddruk, structuurbederf of toename van ziekten en plagen. Op zijn vroegst is de WaterWijzer Landbouw in 2016 beschikbaar.
Naar boven
KLIMAAT EFFECTEN LANDBOUWGEWASSEN

Voor het programma Kennis voor Klimaat (KvK)heeft Wageningen UR (Stoorvogel) in 2009 de bestaande kennis over klimaateffecten op landbouw geïnventariseerd. Deze studie trekt in grote lijnen de volgende conclusies:

  • de verwachte klimaatveranderingen betreffende de temperatuur en de verhoging van de CO2-concentratie hebben een positief effect op de gewasproductie in Europa.
  • deze effecten verschillen per gewas en per landbouwsysteem.
  • akkerbouw in Nederland is vrij kwetsbaar voor de verwachte toename van de veranderlijkheid van het weer met daarbij lange (extreem) droge en natte perioden en extreme temperaturen, de problemen die samenhangen met toenemende verzilting en de verwachte toename van ziekten en plagen.
  • De kans neemt toe dat onvoldoende zoet water via het hoofdwatersysteem kan worden aangevoerd naar polders die kwetsbaar zijn voor verzilting. In gebieden met intensieve tuinbouw kan de financiële schade dan aanzienlijk zijn.
  • Effecten van klimaatverandering op ziekten en plagen zijn moeilijker te voorspellen dan gewasgroei, maar met waarnemingen uit verleden worden de verwachtigingen dat deze druk toeneemt wel bevestigd. Bijvoorbeeld, een verhoogde druk van ongedierte en ziekten als gevolg van hogere temperaturen werd al waargenomen in de relatief warme periode 1989-2004.
  • Diverse veranderingen beïnvloeden elkaar. Zo neemt bij verhoogde CO2-concentraties de transporatie af, hetgeen  een dempend effect kan hebben op de vochttekorten tijdens droogte en een versterkend effect op natschade.

Stijging van de temperatuur en de CO2-concentratie in de lucht heeft in Nederland een gunstig effect op de landbouwproductie, onder andere van grasland. In de G+ en W+ scenario’s wordt dit gunstige effect echter weer (deels) teniet gedaan door de grotere kans op een tekort aan water in de zomer (10%-droog-jaar toename van circa 100 mm, Van der Gaast et al., 2009). Vooral op de hoger gelegen zandgronden kan dit leiden tot lagere producties. Deze twee scenario’s hebben ook extra natte winters, waardoor vooral in het voorjaar in laag Nederland het grasland drassiger kan zijn, wat maaien of beweiden bemoeilijkt. Tabel 1, overgenomen uit een recente studie naar klimaateffecten op landbouw en natuur op rurale zandgronden, geeft een overzicht van effecten door klimaatverandering op hoge zandgronden (Geertsema, 2011).

Tabel 1: Gevolgen van klimaatverandering voor de landbouw op hoge zandgronden (bron: Geertsema et al., 2011).

In een andere studie voor Kennis voor Klimaat (A21, Hotspot Klimaat en Landbouw in Noord Nederland) is de Agroklimaatkalender ontwikkeld (Schaap, 2011). Doel hiervan is om samen met stakeholders concreter te kijken naar wat klimaatfactoren zijn die opbrengst en kwaliteit van verschillende gewassen beïnvloeden, en welke een risico zijn voor de toekomst. Op basis hiervan kan concreet een set aan adaptatiemaatregelen worden opgesteld en besproken.

Per gewas worden de klimaatgegevens voor ieder tijdvenster en de specifieke factoren naast elkaar gelegd om de impact van klimaatverandering te schatten. Niet alle klimaatfactoren hebben een even solide basis in de wetenschap. Sommige drempelwaarden zijn terug te vinden in de literatuur, andere zijn gebaseerd op expertkennis en praktijkkennis. De verschillende bronnen zijn aangegeven, maar er is verder geen waardeoordeel gegeven. De agroklimaatkalender geeft 1) de frequentie van schadeveroorzakende klimaatfactoren voor een gewas in het huidige klimaat op een bepaalde locatie en 2) hoe de frequentie van schadeveroorzakende klimaatfactoren bij klimaatverandering zal verschuiven. Een voorbeeld van de resultaten wordt gegeven in tabel 2.

De Agroklimaatkalender is in principe een vrij simpel concept dat door vrijwel iedereen toe te passen is. De handreiking vraagt wel voldoende input van de gebruiker. Allereerst zijn er naast gewaskennis en teeltkennis klimaatgegevens nodig om klimaatfactoren te karakteriseren. Vervolgens kan met de KNMI’06-scenario’s uitgerekend worden hoe de frequentie van klimaatfactoren in de toekomst wijzigt.

Tabel 2: Klimaateffecten op aardappel (bron: Agroklimaatkalender WUR).

Tabel 2 is voor alle vijftien onderzochte gewassen opgesteld  (De Wit et al., 2009, Schaap et al., 2009). Op de website http://www.klimaatenlandbouw.wur.nl staan alleen deze tabellen voor aardappel, tarwe en suikerbiet.

De structurele effecten van klimaatverandering op de landbouw zijn naar verwachting voorlopig beperkt. De verwachting is dat op korte termijn technologische innovaties en aanpassingen in de agrarische bedrijfsvoering de geleidelijke klimaatverandering voor een groot deel kunnen ondervangen. Toch zal de landbouw moeten inspelen op onverwachte omstandigheden. Belangrijke leemten in kennis bestaan vooral voor veranderende risico’s door extremen en de invloed van lange natte en droge perioden op ziekten en plagen.

Klimaatverandering versterkt ook de effecten van landbouw op vermesting en vervuiling. Door bijvoorbeeld meer hevige neerslag zullen meer nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen door oppervlakkige afspoeling terecht komen in oppervlaktewateren. Dit effect is relevant voor het bereiken van doelen uit de Kaderrichtlijn Water. Dergelijke effecten zijn door Alterra Wageningen UR globaal verkend  in een onderzoek dat is uitgevoerd binnen het kader van het LNV-programma Beleidsondersteunend Onderzoek thema Water / cluster Vitaal Landelijk Gebied (Gerven et al., concept rapport 2011).

Klimaatverandering, en dan met name de temperatuurstijging, kan ook leiden tot een snellere afbraak van organische stof in de bodem waardoor het humusgehalte afneemt en de bodem minder water vast kan houden. Dit wordt behandeld in de deltafact 'bodem als buffer'.

Bij het gebruik van gewasmodellen in klimaatstudies wordt er vaak van uit gegaan dat klimaat de voornaamste invloed heeft op gewasopbrengsten en dat klimaatverandering de enige verandering is. Potentiële opbrengsten kunnen verhoogd worden door verbetering van rassen doorplantenveredeling, en door het aanpassen van de zaaidatum. Het verschil tussen potentiële en actuele opbrengsten kan verkleind worden door het gebruik van (kunst)mest, pesticiden, irrigatie en een ander management dat oogstverliezen voorkomt. Het is daarom belangrijk om voor de huidige situatie het management in kaart te brengen en ook voor de toekomst hier voorspellingen over te doen.

Naar boven
ADAPTATIE MOGELIJKHEDEN LANDBOUW

Om in te spelen op veranderende weersomstandigheden en de uitstoot van de broeikasgassen CO2 en N2O te beperken zal landbouw net als andere sectoren maatregelen moeten nemen. Niets doen is voor de langere termijn geen optie. Maatregelen kunnen plaatsvinden op verschillende niveaus, variërend van het perceel- of gewasniveau tot het schaalniveau van een regio:

  • Gewasniveau: adaptatie in relatie tot gewasgroei, inspelen op veranderende groeiomstandigheden zoals bodemstructuur en vochthuishouding.
  • Bedrijfsniveau: adaptatie van de bedrijfsvoering, bijvoorbeeld maatregelen in de jaarplanning en gewasrotatie
  • Sectorniveau: adaptatie van bedrijfssystemen, innovatieve maatregelen zoals introductie van nieuwe gewassen of teeltsystemen
  • Gebiedsniveau: integrale benadering van  cross-sectorale effecten, afstemmingen van maatregelen op andere sectoren zoals natuur- en waterbeleid et cetera.

Met 'cross-sectorale effecten' wordt bedoeld dat adaptatiestrategieën door de nauwe verwevenheid van sectoren in gebieden op elkaar afgestemd moeten worden. De benadering van schaalniveaus biedt een kader voor te nemen maatregelen. Er kan geredeneerd worden van zowel het lagere naar het hogere schaalniveau - wat zijn de gevolgen van teeltaanpassingen voor een bedrijf,  voor andere sectoren of voor een gebied als geheel - , als andersom - wat zijn de gevolgen van toekomstige marktontwikkelingen of van aanpassingen van het watersysteem voor verschillende landbouwsectoren en andere sectoren, voor afzonderlijke bedrijven of voor specifieke teelten- . Een dergelijke benadering geeft aan dat sectorale maatregelen niet los gezien kunnen worden van het grotere geheel en van maatregelen die genomen worden in andere sectoren.

In verschillende projecten is kennis verzameld over adaptatie van landbouwpraktijk op klimaatverandering:

  • Klimaat en landbouw Noord-Nederland: een praktijk georiënteerd project in samenwerking met onder andere LTO en Grontmij, waarin de effecten van klimaatextremen en adaptatiestrategieën besproken worden met boeren en andere stakeholders.
  • Agri-Adapt: een wetenschappelijk project van Klimaat voor Ruimte waarin de invloed van klimaatverandering op de landbouw wordt onderzocht op verschillende schaalniveaus; naast gewassen, ook op bedrijven, regio's en de Europese Unie.
  • Climate Adaptation for Rural Areas: een wetenschappelijk project van KvK, waarin adaptatie aan klimaatverandering in het rurale gebied wordt onderzocht; veranderingen in klimaat, landgebruik, hydrologie, natuur en landbouw worden gekoppeld en cross-sectorale adaptatiestrategieën geëvalueerd.
  • Climate Projections: een wetenschappelijk project van KvK, met als doel om hoogwaardige informatie te geven op het gebied van klimaatverandering en de effecten daarvan, zodat op nationaal als regionaal niveau adaptatiestrategieën kunnen worden ontwikkel

De hierin opgedane kennis wordt voor een groot deel gebundeld in de genoemde website www.klimaatenlandbouw.nl en de daaronder beschikbare AgroKlimaatKalender. Tabel 3, overgenomen van deze kalender, geeft voor wintertarwe mogelijke adaptatiemaatregelen om schade door klimaatrisico’s te voorkomen of beperken.

Tabel 3: Mogelijke adaptatiemaatregelen voor de teelt van wintertarwe, om schade door klimaatrisico’s voor het zichtjaar 2040 (langdurige droogte, kwakkelweer) te voorkomen of beperken. Bron: www.klimaatenlandbouw.wur.nl

Deze tabellen zijn ook voor suikerbiet en consumptieaardappel weergegeven op de website van klimaat en landbouw. Voor de andere gewassen staan deze tabellen in de genoemde literatuur (Wit et al 2009, Schaap et al 2011).

Naar boven
GOVERNANCE

De verandering van het klimaat kan grote gevolgen hebben voor de landbouw, niet alleen door veranderende omstandigheden voor gewassen, maar ook door ziekten en plagen, behoeften aan andere teelten, zoals energiegewassen, risico’s van de bedrijfsvoering, zoals de oogstzekerheid, en de bedrijfszekerheid, bijvoorbeeld aangaande de energievoorziening. Klimaatverandering biedt ook kansen, bijvoorbeeld voor het telen van gewassen die gedijen bij een warmer klimaat of voor het eerder kunnen inzaaien door een vroeger voorjaar met minder vorst.

Momenteel worden beslissingen in de landbouwsector genomen op basis van trends in markt en beleid. Klimaatverandering wordt hoewel het een additionele stress is niet meegewogen bij belangrijke beslissingen zoals het voortzetten of uitbreiden van een bedrijf. Hierin schuilt het gevaar van verkeerde of verlate beslissingen en investeringen met eventueel schadelijke of fatale gevolgen die door kunnen werken in de verwerkende en aanleverende industrieën.

Adaptatie is niet alleen een taak voor de agrarische bedrijven maar een collectieve opgave voor diverse partijen. Governance heeft betrekking op de wijze waarop overheden – samen met andere belanghebbende partijen – adaptief vermogen ontwikkelen (van Buuren et al., 2009). In Kennis voor Klimaat wordt in het thema Governance of Adaptation ruim aandacht besteed aan de governance aspecten van adaptatie.

Voor de agrariërs is het belangrijk om in hun bedrijfsvoering, uitbreiding en investeringen te anticiperen op de veranderingen van het klimaat. Voor de overheden is het belangrijk om het beleid voor adaptatie op klimaatverandering zodanig uit te werken dat er nieuwe kansen ontstaan voor gebiedsontwikkeling en dat de randvoorwaarden worden gecreëerd voor ruimtelijke ordening en het waterbeheer opdat de positie van de landbouw voor langere termijn veilig wordt gesteld.
 

Naar boven
KENNISLEEMTEN
De huidige HELP- en TCG B-tabellen, en ook AGRICOM zijn niet geschikt om effecten van klimaatverandering op de gewasgroei te voorspellen. Zoals eerder aangegeven wordt op dit moment gewerkt aan een nieuwe methode die deze verouderde methoden moeten vervangen. Deze methode is gebaseerd op de simulatiemodellen SWAP en WOFOST.
 
Onzekerheden over ontwikkelingen in gewasopbrengsten hangen af van processen die spelen in de factoren die deze opbrengsten beïnvloeden:
  • Klimaatverandering Technologische ontwikkeling
  • De zogenaamde 'yield gap', het verschil tussen potentiële en actuele opbrengst, bepaald door technologie en management
Klimaatverandering
Het KNMI concludeert dat de in 2006 berekende klimaatscenario’s niet zijn achterhaald door recente wetenschappelijke ontwikkelingen. Ook volgens de huidige inzichten beschrijven de vier KNMI’06-scenario’s samen de meest waarschijnlijke klimaatveranderingen in Nederland met bijbehorende onzekerheden. Nieuwe inzichten geven wel aan dat de snelle opwarming in Nederland en West-Europa het beste wordt beschreven in de W/W+-scenario’s. De toename van de intensiteit van zware buien is goed weergegeven in de G/W-scenario’s. Naast mogelijke langdurige perioden met droogte, zoals in de G+/W+-scenario’s, zullen vooral in de kustzone waarschijnlijk perioden met natter weer, zoals in de G/W- scenario’s, vaker voorkomen. Het KNM I zal in 2013 opnieuw klimaatscenario’s opstellen. Daarin worden de bovengenoemde inzichten en mogelijke nieuwe inzichten inclusief de ruimtelijke differentiatie meegenomen.
 
Technologische ontwikkelingen
Over technologische ontwikkelingen zijn er vele discussies gaande. Er zijn wetenschappers die verwachten dat genetische ontwikkeling van gewassen de gewasopbrengsten weinig meer kan laten stijgen, maar er zijn ook wetenschappers die verwachten dat de ontwikkelingen vanaf de Tweede Wereldoorlog zich voortzetten. Wat zeker is, is dat in de afgelopen 50 jaar genetische ontwikkeling een veel grotere invloed heeft gehad dan klimaatverandering. De snelle stijging van gewasopbrengsten in de laatste 50 jaar is ook voor een groot deel te danken aan verbetering van het gewasmanagement. Er wordt meer gebruik gemaakt van kunstmest, pesticiden, herbiciden en insecticiden, en schaalvergroting en mechanisatie hebben geleid tot betere efficiëntie.
 
Yield-gap: verschil potentiële en actuele gewasopbrengsten
Uit het onderzoek dat is en wordt uitgevoerd om het modelinstrumentarium SWAP-WOFOST verder te ontwikkelen en valideren, is naar voren gekomen dat in Nederland weinig adequate veldexperimenten beschikbaar zijn om de met het model berekende potentiële en actuele gewasopbrengsten te toetsen aan de praktijk. Het ontbreekt vooral aan experimenten waarin het verloop in de tijd van zowel de gewasopbrengsten als de vochthuishouding in de onverzadigde zone van de bodem is gemeten.
Naar boven
LOPENDE ONDERZOEKEN KLIMAATEFFECTEN LANDBOUW

Kennis voor Klimaat
Het onderzoek voor het programma Kennis voor Klimaat is onderverdeeld in acht hotspots en acht thema’s. Specifiek onderzoek naar klimaateffecten op landbouw en adaptatie daarop vindt plaats in de hotspots 'zuidwestelijke delta', 'ondiepe meren en veenweidegebieden', 'droge rurale zandgronden' en in het onderzoeksthema 'klimaat adaptatie voor rurale gebieden':

Hotspots & thema

Projecten / werkpakketten
South-West Netherlands Delta

 

- Negotiating uncertainties: defining climate proofing and assessing associated uncertainties in the Southwest Delta Region of the Netherlands
- Climate change effects on restoration of estuarine dynamics within the Delta region
- Klimaatverandering als kans voor ondernemers
- Verkenning zoetwatervoorziening Zuidwestelijke Delta
Shallow waters and peat meadow areas - Climate effects on decomposition in drained peat meadow
- Climate influence on water quality: which trends are already apparent?
- Managing climate effects in peat meadows and shallow lakes
Dry rural areas - An inventory of strategies to cope with climate change in dry rural sandy areas with a temperate climate: a case study in the Province of Gelderland
- Combining spatial claims of land use functions and adaptive strategies to climate change in densely populated rural areas
Climate Adaptation for Rural Areas - WP1: Integration: multifunctional adaptation to climate change (pdf)
- WP2: Water and biodiversity in the future climate (pdf)
- WP3: Drivers and consequences of adaptation by farmers (pdf)


Klimaat voor ruimte
In 2011 is het onderzoeksprogramma Klimaat voor Ruimte afgerond. Het programma was verdeeld over vijf thema’s: 'klimaat scenario’s', 'mitigatie', 'adaptatie', 'integratie' en 'communicatie'. De onderzoeken die specifiek landbouw betreffen zijn:

How can agriculture adapt to changes of both climate and market;  NL-North as a pilot region – A12
Op basis van literatuur is hierin gekeken naar de invloed van klimaatverandering en marktontwikkelingen op de landbouw in Europa. Deze invloed is ingeschat voor twee klimaat-markt-ontwikkelingscenario’s voor aardappel, graan en melkproductie. In de KVR-studie A21 wordt hierop in fase 2 voortgebouwd.

Climate and Agriculture in Northern Netherlands - A21
In fase 2 van dit project (fase 1 betreft A12) is de invloed onderzocht van klimaat extremen op vijftien gewassen in de huidige situatie en in 2040 en 2100. In fase 3 is de landbouwsituatie in diverse gebieden meer in detail onderzocht. Tijdens adaptatie-workshops zijn de resultaten van het onderzoek besproken en bediscussieerd met stakeholders in het gebied. Binnen dit project is ook de Agroklimaatkalender ontwikkeld. Dit is een methode en hulpmiddel om op een relatief eenvoudige manier in te schatten welke klimaatfactoren schade - extreme weersomstandigheden en ziekten en plagen - geven aan gewassen en hoe deze klimaatrisico’s verschuiven bij klimaatverandering. De Agroklimaatkalender kan:

  • op een eenvoudige manier in beeld brengen welke klimaatfactoren voor gewassen in het huidige klimaat de meeste risico’s  op schade geven door op maandbasis een frequentie te geven van de meest schadelijke klimaatfactoren. Bijvoorbeeld extreme weersomstandigheden en ziekten en plagen zijn op deze manier eenvoudig in kaart te brengen. Dit is een groot voordeel omdat gewasmodellen deze klimaatfactoren niet goed mee kunnen nemen. 
  • laten zien hoe de frequenties van risico’s verschuiven bij een veranderd klimaat.
  • de meest relevante toekomstige risico’s van klimaatfactoren voor gewassen beoordelen. 

Hotspot Groningen - A18 
In de hotspot klimaatbestendig-Groningen is de verworven kennis toegepast in de ruimtelijke planning op provinciaal schaalniveau. De uitkomsten van het project bieden andere overheden handvatten voor een klimaatbestendige regionale planning en kunnen gebruikt worden bij het opstellen van omgevingsplannen, structuurvisies, waterbeheerplannen van provincies, waterschappen en gemeenten.

Assessing the adaptive capacity of Agriculture in the Netherlands to the impacts of climate change under different market and policy scenarios - A19
In deze studie zijn op basis van een model (WOFOST) in een iteratief proces (workshops) met agrariërs de risico’s van klimaateffecten op landbouwproductie in Flevoland geëvalueerd en robuuste adaptatiemaatregelen gedefinieerd. Hierbij is ook gekeken naar de kosten en baten van de adaptatie maatregelen enno-regretmaatregelen die nu goed genomen kunnen worden.

NMDC-innovatieproject Integraal Waterbeheer, Kritische Zone
In dit NMDC-innovatieproject wordt voor het Nationale Modellen en Data Centrum door de kennisinstituten Wageningen UR, TNO, Deltares, PBL en het KNM I samengewerkt om de modellen voor waterbeheer beter op elkaar af te stemmen en geschikt te maken om klimaateffecten te simuleren. In twee pilotgebieden, Walcheren en de Baakse Beek, zijn modellen voor hydrologie, natuur en landbouw opgezet en aan elkaar gekoppeld (Van Ek, 2012; Schipper et al., 2013).

Naar boven
LITERATUUR EN LINKS

- Bakel, P.J.T., van en Gé van den Eertwegh, 2011. Nieuwe mogelijkheden voor herziening van de HELP-tabel. H2O/18-2011.
- Bakel, P.J.T. van, B. van der Waal, M. de Haan, J. Spruyt, A. Evers, 2007. HELP-2006. “Uitbreiding en actualisering van de help 2005 tabellen ten behoeve van het waternood-instrumentarium.”  Utrecht, STOWA-rapport 2007-13.
- Bakel, P.J.T. van, V. Linderhof, C.E. van ’t Klooster, A.A. Veldhuizen, D. Goense, H.M. Mulder, H.T.L. Massop, 2009. “Definitiestudie Agricom”. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 1934.
- Bartholomeus, Ruud, Joop Kroes, Jan van Bakel, Mirjam Hack-ten Broeke, Dennis Walvoort en Flip Witte, 2013. Actualisatie schadefuncties landbouw; fase 1. Op weg naar een geactualiseerd en klimaatbestendig systeem van effect van waterbeheer op gewasopbrengst. Overzicht van doorgevoerde verbeteringen in fase 1 (september 2012 – april 2013). STOWA-rapport 2013-22.
- Bouwmans, J.M.M. 1990. “ Achtergrond en toepassing van de TCGB-tabel, een methode voor het bepalen van de opbrengstdepressie van grasland op zandgrond als gevolg van een grondwaterstandsverlaging.”  
- Brouwer, F. en J.T.M. Huinink, 2002. Opbrengstdervingspercentages voor combinaties van bodemtypen en grondwatertrappen. HELP-tabellen en opbrengstdepressiekaarten. Wageningen, Alterra / EC-LNV, Alterra-rapport 493.
- Buuren, A van, P. Driessen, M. van Rijswick, P. Rietveld, W. Salet, T. Spit en G. Teisman, 2009. Deelstudie 1, De governance van adaptatie - Bouwstenen voor een afwegingsproces. Definitiestudie Afwegingskader Ruimte & Klimaat fase 2, Governance aspecten van klimaatmaatregelen. Werkrapport/Synthese, Rotterdam 2 februari 2009.
- Ek, R van, G. Janssen, M. Kuijper, A. Veldhuizen, W. Wamelink, J. Mol, A. Groot, P. Schipper, J. Kroes, I. Supit, E. Simmelink, F. Van Geer, P. Janssen, J. Van der Sluijs, and J. Bessembinder, 2012. “NMDC-Innovatieproject. Van Kritische zone tot Kritische Onzekerheden: case studie Baakse beek,” Deltares report 1205652-000.
- Geertsema, W., H. Runhaar, T. Spek, E. Steingrover, J.P.M. Witte, 2011. “Klimaatadaptatie droge rurale zandgronden - Gelderland.”. KvK rapportnummer KvK/034/2011.
- Gerven, L.P.A. van, R.F.A. Hendriks, F.J.E. van der Bolt, J.A. Veraart en P.C. Jansen 2011 (conceptrapport). “ Effect klimaatverandering op de nutriëntenuitpoeling naar het oppervlaktewater en de resulterende oppervlaktewaterkwaliteit”. NB. Nog geen definitief rapport beschikbaar.
- Geijzendorffer, I. et al, 2011. Gevolgen klimaatextremen voor de Nederlandse Landbouw. Noodzaak voor adaptatie? Alterra-rapport 1994.
- Goedemans, L. en J. Kind, 2004. Prijzen en productiviteit landbouwgewassen: Update ten behoeve van het AGRICOM model. Lelystad, RIZA - werkdocument 2007.120x.
- Hack-ten Broeke, Mirjam, Joop Kroes, Rob Hendriks, Ruud Bartholomeus, Jan van Bakel en Idse Hoving, 2013. Actualisatie schadefuncties landbouw, tussenfase 2a: plausibiliteitstoets SWAP en enkele verkennende berekeningen. STOWA-rapport 2013-37.
- Hermans, T. en J. Verhagen 2008, Spatial Impacts of climate and market changes on agriculture in Europe. Alterra rapport 1697.
- IPO 2008, “Brochure klimaatverandering op kaart gezet.”
- Klein Tank, A.M.G. en G. Lenderink (red.), 2009: “Klimaatverandering in Nederland; Aanvullingen op de KNMI’06 scenario’s.“  KNMI, De Bilt. , http://www.knmi.nl/klimaatscenarios/documents/brochure09.pdf
- KNMI Scientific Report WR 2006-01, “KNMI Climate Change Scenarios 2006 for the Netherlands”.
- Kroes, J.G. en J. Supit 2011. “Impact analysis of drought, water excess and salinity on grass production in the Netherlands using historical and future climate data”. Accepted for publication in Agriculture, Ecosystems and Invironmen November 2011.
- Kroes, J.G.  J. Supit en P.N.M. Schipper 2011, “Water management, salinity and crop growth in the Dutch Delta under changing climate conditions”. Congress paper, submitted for presentation at the IWA-conference Climate, Water and Energy (Dublin may 2011).
- Mulder, H.H. en A.A. Veldhuizen (2014, conceptrapport) AGRICOM 2.01. Theorie en gebruikershandleiding. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport. 
- Schaap, B., Blom-Zandstra, M., Hermans, C., Meerburg, B., Verhagen, J., 2011. “Impact changes of climatic extremes on arable farming in the north of the Netherlands.” Regional Environmental Change: 1-11.  
- Schaap, B., Blom-Zandstra, G., Geijzendorffer, I., Hermans, T., Smidt, R., Verhagen, A., 2009. Klimaat en landbouw Noord-Nederland. Rapportage van fase 2. Plant Research International & Alterra, Wageningen UR, Wageningen.
- Schipper, P. N. M., P. Bogaart, A. Groot, J. G. Kroes, J. P. Mol-Dijkstra, M. Mulder, I. Supit, P. Verweij, P. E. V. Van Walsum, E. Van Baaren, R. Van Ek, G. O. Essink, F. Sanchez, A. Bakker, J. Bessembinder, P. Janssen, M. F. Van Geer, E. Simmelink, and J. van der Sluijs, 2013. “Integraal Waterbeheer - kritische zone en onzekerheden. Integraal hoofdrapport. Alterra-rapport 2443,” 
- Stoorvogel. J.J. 2009, “Adapting Dutch agriculture to climate change”. KfC rapport KvK/016/09
- Werkgroep HELP-tabel, 1986.  “De invloed van de waterhuishouding op de land bouwkundige productie.”.
- De Wit, J., Swart, D., Luijendijk, E., 2009. “Klimaat en landbouw Noord-Nederland: nu, in 2040 en 2100. Fase 2: overzicht relevante klimaatfactoren, impact schade van 15 landbouwgewassen en 2 diersoorten en mogelijke adaptatiemaatregelen”. Houten.
- Wolf, J. et al., 2011. Integrated assessment of adaptation to Climate change in Flevoland at the farm and regional level. Agriadapt Project Reports no. 4 & 5.
 
Links:
- Klimaat scenario’s KNMI: http://www.knmi.nl/klimaatscenarios/
- Klimaateffect landbouw: http://www.klimaatenlandbouw.wur.nl/
- Klimaatonderzoek programma’s Nederland: http://www.klimaatportaal.nl/pro1/general/start.asp?i=5&j=1&k=1&p=1&itemid=717
- Bundeling kennis voor klimaat: http://www.klimaatportaal.nl/
- Hydrologisch model SWAP: http://www.swap.alterra.nl/
- Gewasgroeimodel WOFOST: http://www.wofost.wur.nl

Deze factsheet is opgesteld door Alterra, December 2011 en geactualiseerd in september 2012, maart 2014 en april 2015.
Auteurs: P. Schipper (Alterra), Pytrik Reidsma (WU Plantwetenschappen) en T. van Hattum (Alterra)

Naar boven
DISCLAIMER
De in deze publicatie gepresenteerde kennis en diagnosemethoden zijn gebaseerd op de meest recente inzichten in het vakgebied. Desalniettemin moeten bij toepassing ervan de resultaten te allen tijde kritisch worden beschouwd. De auteur(s) en STOWA kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele schade die ontstaat door toepassing van het gedachtegoed uit deze publicatie.
Naar boven
PLAATS UW REACTIE
Uw reactie stellen wij bijzonder op prijs. STOWA zal de reacties meenemen in de updates van de Deltafacts, die regelmatig worden uitgevoerd.
Uw naam en
organisatie
E-mailadres
Reactie
 
LAATSTE REACTIES
Land Van Duwijck cvba op 27 oktober 2016, 08:31 uur
http://deltaproof.stowa.nl/pdf/Waterreservoirs_op_bedrijfsniveau?rId=7

IN deze folder van deltaproof stowa staat wel een rekenfout volgens mij. Kostprijs per jaar van foliebassin van 1000m³ komt mijns inziens op 1.300 euro en niet 13000. Per m³ is dat dan ook 0.12 euro en niet 1.2. Factor 10. Wat denkt u? Kan dat kloppen?
Voor ons belangrijk, omdat wij zo'n bassin willen aanleggen om regenwater op te vangen van het industrieterrein dat naast ons toekomstig landbouwbedrijf gelegen is. Wij willen dat doen omwille van ecologische redenen en oogstopbrengst, maar het moet ook een beetje economisch te verantwoorden zijn natuurlijk.
vriendelijke groeten
Birgit
  • Beprijzen van water voor de landbouw
  • Blauwe diensten
  • Bloemrijke sterke dijken
  • Bodem als buffer
  • Bodemvochtgestuurd beregenen
  • Borging vitale infrastructuur bij overstroming
  • Bouwen in en op waterkeringen
  • Brakke kwel
  • Compartimentering in het boezemsysteem
  • Conseq. snelle daling waterpeil op waterkering
  • Deltadijk
  • Deltascenario’s en Adaptief deltamanagement_veilig
  • Deltascenario’s en Adaptief deltamanagement_zoet
  • Droogte stuurt functies
  • Dynamisch peilbeheer
  • Ecologische effecten koudwaterlozingen
  • Effect van zandsuppleties op de kust en het wad
  • Effecten klimaatverandering op landbouw
  • Effecten klimaatverandering terrestrische natuur
  • Effecten verzilting zoete aquatische ecosystemen
  • Effectiveness of Water Intake
  • Effectiviteit van waterinlaat
  • Gevolgenbeperking compartimentering dijkringen
  • Informatievoorziening bij calamiteiten
  • Innovatieve dijkconcepten in het Waddengebied
  • Kansinschatting falen waterkeringen
  • Klimaatverandering / grondwaterbeh. sted. gebied
  • Meerlaagsveiligheid in de praktijk
  • Natte teelten
  • Nieuwe normering van waterveiligheid
  • Ondergrondse waterberging
  • Onderwaterdrains
  • Regelbare drainage
  • Regenwaterlenzen
  • Remote Sensing voor waterveiligheid
  • Remote Sensing waterkwantiteits-kwaliteitsbeheer
  • Reserveringszone
  • Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR)
  • Robuustheid
  • Sedimentaire systeem van de Waddenzee
  • Sensoren
  • Stabiliteit veenkade m.o. klimaatverandering
  • Verzekeren van overstromingsschade
  • Waterreservoirs op bedrijfsniveau
  • Zoetwatervoorziening
  • Zoutindringing
  • Zouttolerantie van teelten