Log in

Klik hier om in te loggen


Wachtwoord vergeten?

Nog geen inlog? Registreer nu
Om misbruik van dit formulier door spamrobots te voorkomen, vragen wij u hier het controlewoord stowa in te vullen!
Zoetwatervoorziening / Fresh water > Droogte > Droogte stuurt functies
Idee / verkenning
>
Droogte stuurt functies
INHOUD
INLEIDING

Droogte als knelpunt in een land dat gelegen is aan de monding van rivieren en gezegend met een gematigd klimaat. Het lijkt een non-issue. Toch kampen vooral de hoge zandgronden van Oost- en Zuid-Nederland met aanzienlijke watertekorten en droogteschade in de landbouw en in natuurgebieden. En door klimaatverandering zal de verdamping en dus de waterbehoefte verder toenemen, terwijl ’s zomers de rivieren steeds minder water zullen afvoeren.

Blijvende beschikbaarheid van voldoende zoet water is, naast veiligheid, een hoofdopgave in het Deltaprogramma. Hiervoor zijn verschillende oplossingen mogelijk. Eén van die oplossingen is het verminderen van de watervraag door een aangepaste ruimtelijke inrichting., uitgaande van het principe dat wWaterschaarste zal steeds meer een bepalende en sturende factor wordent voor het ruimtegebruik. Hierover gaat de Deltafact ‘Droogte stuurt functies’.

Naar boven
GERELATEERDE ONDERWERPEN EN DELTAFACTS
STRATEGIE: VASTHOUDEN, BERGEN, AANVOEREN
Droogte stuurt functies is geen strategie die valt onder de drie waterstrategieën 'vasthouden, bergen en aanvoeren'. Het is een strategie van aanpassen van het ruimtegebruik aan de het bestaande en toekomstige grondwaterpeil (bij klimaatverandering) en situatie van het vochtleverend vermogen van de bodem. Het principe sluit aan bij de drietrapsstrategie voor de hoge zandgronden uit het Deltaprogramma 2016:

1.    Water conserveren (besparen en vasthouden): opslag van een deel van het jaarlijks neerslagoverschot in bodem en waterlopen, beekdalen herinrichten voor meer grondwatervoorraad en aanleg van buffers in stedelijk gebied.
2.    Water aanvoeren: beperkte extra aanvoer uit grote wateren realiseren.
3.    Watertekorten accepteren en adapteren: aanpassing van de bedrijfsvoering en mogelijk ook van natuurdoeltypen.

Toepassing van de stappen 1 en 3 zullen leiden tot aanpassing van de aard en invulling van de huidige functies.

 ‘Droogte stuurt functies’ is een ruimtelijk inrichtingsprincipe waarbij water (of beter: het tekort aan water) een sturende factor is voor aanpassingen in de inrichting van de ruimte. Dit principe kan gezien worden als een uitwerking van de lagenbenadering in de ruimtelijke ordening. Volgens deze lagenbenadering moeten afwegingen in de ruimtelijke ordening plaats vinden in de volgorde van de drie lagen: ‘ondergrond’, ’netwerklaag’ en ‘occupatielaag’. De draagkracht van de ondergrond bepaalt wat er verder kan gebeuren in de andere lagen; de netwerken sturen de occupatie aan. De lagen representeren ook een verschil in snelheid van dynamiek: van traag (ondergrond) naar snel veranderend. De lagenbenadering is uitgewerkt in de Vijfde Nota voor de Ruimtelijke Ordening en vormt tevens de basis vaneen uitgangspunt in de Nota Ruimte. Figuur 1 geeft de lagenbenadering schematisch weer.

In de tijd van ingrijpende ruilverkavelingen en landinrichtingsprojecten maakte het belang van de ondergrond als basis voor ruimtelijkplanning plaats voor de technische maakbaarheid. Met de introductie van de lagenbenadering in de ruimtelijke ordening lijkt dit weer om te slaan. In de woorden van Lex Hartholt, voormalig programmadirecteur Groene Hart: “we maakten overal gewoon wat we wilden, maar we zijn nu bij het omslagpunt, waarbij de maakbaarheid ophoudt en natuur, water en klimaat weer belangrijk worden. Dat geldt zowel vanuit het oogpunt van duurzaamheid als vanuit kostenoogpunt. Jarenlang is er geen rekening gehouden met de bodem en dat leidt er nu toe dat we jaarlijks miljarden aan kosten hebben.” (NIROV, 2009). De lagenbenadering wordt sinds kort steeds vaker toegepast bij de opstelling van structuurvisies, gebieds- en bestemmingsplannen.

De strategieHet uitgangspunt bij achter het principe ‘Droogte stuurt functie’ is dat de waterbehoefte en dus ook de schade door verdroging in sectoren als landbouw en natuur kunnen verminderen door de ruimtelijke inrichting en zonering van functies aan te passen aan de natuurlijke verschillen in bodemvochtigheid. Uitgangspunt daarbij is om zoveel mogelijk aan te sluiten bij natuurlijke patronen en processen in het landschap. Dat betekent dat je volgens het principe ‘Droogte stuurt functies’ aan die plekken, waar door hun ligging veel water aanwezig is (b.v. door kwelstromen), ook functies moet verbinden die afhankelijk zijn van hoge (grond)waterstanden. Op die manier wordt het water langer vastgehouden en ter plekke benut, waardoor water niet ongebruikt afgevoerd wordt.

Daarmee geeft dit inrichtingsprincipe een invulling aan de basisprincipes uit het Nationaal Bestuursacckkoord Water (NBW): ‘niet afwentelen’ en ‘water vasthouden’ (uit de trits ‘vasthouden – bergen – aanvoeren’). Dit draagt bij aan een structurele oplossing adaptatie avan bestaande en door klimaatverandering nog toenemende regionale watertekorten, zonder de waterproblemen naar de omgeving door te schuiven. In de praktijk kennen veel lage plekken in het landschap echter nu nog een landbouwkundige drooglegging die is afgestemd op teelten die een lage grondwaterstand vereisen, zoals boomteelt, fruitteelt, tuinbouw en akkerbouw. Bij omschakeling naar grasland kan de grondwaterstand al fors worden verhoogd (van grondwatertrap IV of VI naar II of III) bij met handhaving van de landbouwfunctie. Bij vernatting naar nog hogere grondwaterstanden zal omschakeling nodig zijn naar natte natuur, aquacultuur of teelt van moerasplanten zoals riet, lisdodde of wilg of rietteelt nodig zijn. Dergelijke ‘natte teelten’ kunnen bovendien bedrijfseconomisch interessant zijn, zoals blijkt uit een verkenning voor de veenweidegebieden (van de Riet et al., 2014)
 

Figuur 1: De 3 lagen uit de lagenbenadering (Bron: www.ruimtexmilieu.nl)


Toepassing van het principe ‘Droogte stuurt functies’ betekent impliciet dat wordt afgestapt van het uitgangspunt, dat er voor elke plek een optimale agrarische drooglegging mogelijk moet zijnis. Wanneer in gebieden met hoge grondwaterstanden wordt gekozen voor functies, die ook een zekere variatie in grondwaterpeil kunnen verdragen, of zelfs periodieke inundatie, kan de waterbeheerder deze ruimte tevens benutten voor het periodiek vasthouden van water (waterconservering) of het tijdelijk bergen van hoogwaterpieken (waterberging). Ook een combinatie van beide vormen van wateropslag binnen een gebied is mogelijk, mits goed geanticipeerd wordt op de ontwikkelingen in het weer en de benodigde bergingscapaciteit (zie Jansen et al., 2015).

Verwant met ‘Droogte stuurt functies’ is het principe ‘Functie volgt peil’ (Bosch Slabbers, 2006; Woestenburg, 2009), dat is ontwikkeld als inrichtingsconcept voor veenweidegebieden. Beide principes zijn erop gericht om de grondwaterstand in de laagste delen te verhogen. Bij ‘Functie volgt peil’ is dat bedoeld om de maaivelddaling door uitdroging en oxidatie van de veenbovengrond af te remmen. Dit principe keert de gebruikelijke volgorde bij herinrichting om, waarbijin eerst de gewenste functies wordent gekozen en daarbij vervolgens het daarvoor benodigd waterpeil wordt ingesteld (‘Peil volgt functie’). ‘Peil volgt functie’ heeft geleid tot toenemende hoogteverschillen tussen snel dalende lage percelen en hoger gelegen delen die minder kwetsbaar waren zijn voor maaivelddaling. Het principe ‘Functie volgt peil’ gaat uit van grotere peilgebieden, waarvoor een slootpeil wordt ingesteld op de gemiddelde hoogteligging ivan een peilgebied waardoor een heterogene drooglegging binnen het peilgebied ontstaat. Dit leidt tot vernatting en dus afremming van de maaivelddaling in de laagste delen. In het project ‘Waarheen met het veen?’ zijn verschillende varianten van dit principe (met en zonder hogere slootpeilen, onderwaterdrains, flexibel peilbeheer) uitgewerkt op hun impact en effectiviteit (Woestenburg, 2009).

In beekdallandschappen werkt de hoogte van het waterpeil in het laagste deel van het beekdal door in de waterbehoefte en watertekorten in de omgeving. ‘Droogte stuurt functies’ vereist, net als ‘Functie volgt peil’, een herschikking van het grondgebruik, met name onderin het beekdal, waar het conform het natuurlijk patroonvan nature ook natter mag zijn.

Naar boven
SCHEMATISCHE WEERGAVE
Het principe ‘Droogte stuurt functies’, toegepast op beekdallandschappen, sluit aan bij het 5B-concept voor duurzaam ingerichte beekdalen (Verdonschot, 2010). Figuur 2 toont de vijf zones die Verdonschot onderscheidt in een optimaal ingericht beekdal:
1.    Beek: het natte deel met een brede ondiepe meanderende beek
2.    Boszone: de direct langs de beek groeiende beek-begeleidende bossen
3.    Bossagezone: de overgang van bos- naar bufferzone
4.    Bufferzone: hier worden stoffen uit de hoger gelegen landbouwgronden opgevangen
5.    Beekflank: de buiten de buffer gelegen landbouwgronden.

De laagste drie zones zijn zo ingericht dat periodieke inundatie geen probleem is. Daarmee biedt een beekdal volgens dit 5B-concept ruimte voor waterconservering (Verdonschot spreekt hier van ‘sponswerking’) en voor opvang van afvoerpieken, in combinatie met ruimte voor natuur(ontwikkeling) en natuurgerichte recreatie.
Figuur 2: Inrichting van een beekdal volgens het 5B-concept (Verdonschot, 2010).

Dit concept is door het Waterschap Peel en Maasvallei toegepast bij de invulling van het Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regime (GGOR). Samen met de provinciale en gemeentelijke overheden, de land- en tuinbouworganisatie LLTB en Staatsbosbeheer is dit uitgewerkt in de publicatie Nieuw Limburgs Peil (Waterschap Peel en Maasvallei, 2010). In deze visie staat niet het herstel van beken centraal, maar van hele beekdalen, omdat beekdalen als klimaatbestendige buffers een belangrijke schakel vormen in het herstel van het watersysteem. Deze aanpak wordt nu toegepast en uitgewerkt in de Ggebiedsontwikkelingen zoals voor het Loobeekdal (Waterschap Peel en Maasvallei, 2012) en beekherstelprojecten, zoals voor de Groote Molenbeek.


 
 
 
Figuur 3: Functie volgt peil (www.blauweengroenediensten.nl)

Het principe ‘Functie volgt peil’ kan beschouwd worden als een regionale uitwerking van het concept ‘Droogte stuurt functie’ voor veenweidegebieden. Dit principe is schematisch verbeeld in figuur 3. Hoewel veenweidegebieden vlak lijken, is er toch vaak sprake van hoogteverschillen als gevolg van verschillen in bodemeigenschappen (al of geen kleidek), drooglegging of hydrologie (kwel of wegzijging). Bij gelijke drooglegging verloopt de maaivelddaling in veengebieden met een kleidek aanzienlijk minder snel dan in delen waar zich geen afdekkende kleilaag op het veen bevindt. Een laagte in een veenweidepolder kan ook ontstaan als gevolg van diepere drooglegging (b.v. bij particuliere onderbemalingen) of door sterke wegzijging van het grondwater.
Figuur 3 laat zien dat het principe ‘Functie volgt peil’ in een reliëfrijke veenweidepolder zal leiden tot hoge grondwaterstanden in lage delen, en lagere grondwaterstanden in hoger gelegen delen. In de lage delen zal de landbouw zich dus moeten aanpassen aan de nattere omstandigheden.

 

Naar boven
WERKING

Het principe ‘Droogte stuurt functies’ is een inrichtingsconcept dat gericht is op het verminderen van de waterbehoefte en watertekorten in een gebied. Het principe kan worden toegepast om actuele en toekomstige knelpunten door watertekorten en verdroging structureel aan te pakken. Volgens dit principe stuurt water de ligging van functies in het gebied. Het is dus van belang om bij toepassing van dit principe eerst voor een gebied vast te stellen wat de gewenste hoogte in grondwaterpeil is, en welke peilfluctuatie wordt toegestaan om de zoetwaterbehoefte en droogteschade en maaivelddaling zoveel mogelijk binnen het gebied op te vangen om droogteschade te voorkomen, en zo mogelijk ook om schade door wateroverlast te beperken. Wanneer dit leidt tot een noodzakelijke herschikking van functies zijn daarvoor instrumenten uit de ruimtelijke ordening nodig.

Het principe leent zich ook voor adaptatiemaatregelen voor aan klimaatverandering, uitgaande van de verwachting dat de waterbehoefte en watertekorten door klimaatverandering nog sterk zullen toenemen (Knelpuntenanalyse Deltaprogramma Zoetwater, 2011). Daarmee past dit principe ook goed bij het concept van ‘klimaatbuffers’: gebieden waar natuurlijke processen de ruimte krijgen, waardoor ze kunnen meegroeien met klimaatverandering (Coalitie Natuurlijke Klimaatbuffers, 2012). Een grotere regionale zelfvoorzienendheid voor water is onderdeel van de voorkeursstrategie voor het Deltaprogramma Zoetwater en werkt inmiddels ook door in provinciale omgevingsvisies, zoals voor de provincie Drenthe (2014).

Naar boven
KOSTEN EN BATEN

Kosten en baten bij toepassing van het inrichtingsprincipe ‘Droogte stuurt functies’ zullen per gebied moeten worden bepaald, omdat aard, omvang en impact van de benodigde maatregelen per situatie verschillen. Toepassing van het principe in de praktijk zal een integrale en gebiedsgerichte aanpak vragen, waarbij vermindering van het watertekort en de verdroging onderdeel zal zullen zijn van een breder pakket aan opgaven, zoals verbetering van de waterkwaliteit, verduurzaming van de landbouw, of ruimte voor natuurontwikkeling en recreatie en vastleggen van CO2. Kosten zullen veelal voortkomen uit benodigde transities in de landbouw (verplaatsing, schadecompensatie) en inrichtingsmaatregelen. De baten kunnen bestaan uit financiële opbrengsten en vermeden kosten (zoals voor beheer en onderhoud), maar zijn vaak ook immaterieel (zoals een hogere milieukwaliteit en natuurwaarde) en moeilijk in geld uit te drukken. Inrichtingskosten kunnen soms gedekt worden uit natuurcompensatie voor natuurschade door projecten elders in de regio, zoals is toegepast bij de gebiedsontwikkeling en herinrichting Loobeekdal in Limburg.

Uit In het kader van een evaluatie quick scan verkenning naar kosten en baten van  Klimaatbuffer-projecten (Coalitie Natuurlijke Klimaatbuffers, 2012van Kreveld et al., 2013) is bij een analyse van 17 klimaatbuffer-projecten kwalitatief ingeschat hoe de kosten en baten van een klimaatbuffer benadering zich verhouden tot kosten en baten van een traditionele aanpak. De meeste klimaatbufferprojecten zijn gericht op veiligheid en voorkómen van wateroverlast.  komt naar voren dat enkele projecten vermoedelijk sociaal-economisch gunstig uit zullen pakken. Het gaat om deVoor klimaatbuffers die gericht zijn op waterconservering en vermindering van de watervraag vanwege toenemende waterschaarste, zoals de projecten Hunze, Regge, Weerterbos en IJsselmonde,, geldt dat de klimaatbuffer alleen positief scoort op kosten/baten wanneer er anders kosten zouden moeten worden gemaakt om de verdroging aan te pakken, bijvoorbeeld omdat het gebied is aangewezen als TOP-gebied verdroging.

Voor enkele projecten met maatregelen op basis van ‘droogte stuurt functies of ‘water stuurt de r.o.’ zijn berekeningen uitgevoerd van het kosten/baten-saldo, vergeleken met de huidige situatie, waarin het waterbeheer volgend is. Voor polder Groot Mijdrecht Noord is berekend, dat de omvormingvernatting van deze diepe droogmakerij met intensieve kwel uit de omgeving een batig saldo zal opleveren van 50 miljoen euro. Tegenover de hoge planuitvoeringskosten en het verlies van landbouwkundige waarde staan hogere baten in de vorm van verbetering van waterkwaliteit, woonklimaat en recreatie-inkomsten en lagere beheer- en onderhoudskosten (Witteveen+Bos en ECORYS, 2006a).

Voor enkele delen van het westelijk veenweidegebied zijn berekeningen uitgevoerd van het kosten/baten-saldo bij toepassing van het inrichtingsprincipe ‘functie volgt peil’, vergeleken met de huidige situatie, waarin het waterbeheer volgend is. Een tweede voorbeeld betreft een MKBA over de toepassing van het concept ‘Functie volgt peil’ in veenweidegebieden (Witteveen+Bos en ECRYS, 2006b; STOWA, 2009). Daarin wordt voor drie gebieden in het westelijk veenweidegebied (Krimpenerwaard, Groot Wilnis-Vinkeveen en Wormer- en Jisperveld) berekend, wat de kosten en baten zijn vanHet ging daarbij om vergroting van peilgebieden en verhoging van het gemiddeld slootpeil ten opzichte van de huidige situatie. Voor de Krimpenerwaard zal dit bijvoorbeeld leiden tot vernatting van de sterkst dalende noordelijke Krimpenerwaard. Daar zal de bestaande landbouw moeten plaats maken voor extensieve landbouw of natuur. Het zuidelijk deel van de Krimpenerwaard, waar het maaiveld minder daalt door een kleiigere bodem, behoudt een goede landbouwkundige drooglegging. De kosten betreffen vooral het verwijderen van bestaande waterhuishoudkundige elementen (zoals peilscheidingen) en het verplaatsen van landbouwbedrijven. De baten bestaan grotendeels uit lagere waterbeheerskosten, omdat het waterbeheer bij een lager aantal peilvakken aanzienlijk eenvoudiger wordt. Daarnaast zijn er ook natuur- en milieubaten, o.a. als gevolg vanzoals verminderde broeikasgasemissies door minder veenoxidatie. De uitkomsten van de MKBA laten zien dat de ‘Functie-volgt-peil variant’ met de hoogstemet hoog slootpeilen (gemiddeld 30 cm –mv) het gunstigst scoort, en voor alle drie veenweidegebieden (Krimpenerwaard, Groot Wilnis-Vinkeveen en Jisperveld) zal leiden tot een positief saldo van kosten en baten. Overigens heeft het CPB (2006) bij deze MKBA wel kritische kanttekeningen geplaatst. Volgens het CPB zijn de milieubaten van vernatting te hoog ingeschat, en kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de geraamde omvang van de investeringskosten die worden uitgespaard bij vernatting van het veenweidegebied.

Door Bos en Vogelzang (2006) is voor een veenweidepolder van ca. 4000 ha rond Zegveld een MKBA uitgevoerd. Ook deze MKBA levert het beeld op dat een peilscenario volgens ‘Functie volgt peil’ met verhoogde slootpeilen tot een batig positief maatschappelijk kosten/baten-saldo leidt. Een belangrijke verklaring dat dergelijke MKBA-uitkomsten desondanks niet direct leiden tot omschakeling naar de meest gunstig scorende variant ligt in de ongelijke verdeling van kosten en baten over de betrokken partijen. De kosten komen hoofdzakelijk ten laste van de landbouw, terwijl bijvoorbeeld de waterbeheerder er door lagere beheerskosten op vooruit gaat.

Naar boven
GOVERNANCE ASPECTEN

In het Deltaprogramma Zoetwater is het Deltaplan Hoge Zandgronden opgenomen. De waterschappen en provincies zetten daar met name in op robuuste watersystemen door het herinrichten van beekdalen, water vasthouden in gebieden met minder kritische natuurdoelen en waterconservering in vrij-afwaterende gebieden. Voor de periode 2015-2021 is het uitvoeringsprogramma vastgesteld. Door zoveel mogelijk in gebiedsprocessen te zoeken naar multifunctionele oplossingen, waarbij ook andere gebiedsdoelen gerealiseerd worden, kan winst geboekt worden in tijd, geld en draagvlak voor de uitvoeringl (van Hattum et al., 2014).

Ten behoeve van de voorbereiding van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) heeft de Adviescommissie Water een advies uitgebracht. Daarin staat onder meer dat naast een waterrobuuste inrichting uit oogpunt van waterveiligheid ook ruimtelijke adaptatie noodzakelijk is ter voorkoming van wateroverlast, droogte en hittestress. De NOVI moet het kader bieden voor een interbestuurlijk gedragen strategie voor klimaatadaptatie. De meer specifieke aanpak voor klimaatadaptatie op regionaal en lokaal niveau hoort thuis in de omgevingsvisies van provincies en gemeenten. Ruimtelijke adaptatie ter voorkoming van verdroging dient volgens dit advies als richtinggevend uitgangspunt te hebben: zoveel mogelijk gebruik maken van het natuurlijke grondwatersysteem. Dat betekent dat ‘droogte stuurt functies’ en ‘functie volgt peil’ vaker het uitgangspunt voor herinrichting moeten zijn (Adviescommissie Water, 2015).

Het Kennis voor Klimaat onderzoek van Ellen et al. (2011) naar multifunctioneel landgebruik als adaptatiestrategie in Noord-Brabant is relevant voor inzicht in procesmatige succesfactoren bij de implementatie van ‘Droogte stuurt functies’. Methoden als speed daten, Pecha Kucha en workshops kunnen leiden tot nieuwe samenwerkingsverbanden tussen partijen met verschillende belangen. Het gezamenlijk opstellen van een business plan is een goed middel om de praktische invulling van principes als ‘Droogte stuurt functies’ voor alle partijen helder te maken.

Voor toepassing van het principe ‘Droogte stuurt functies’ zal eerst duidelijk moeten zijn welke (grond)waterstanden in een gebied gewenst of toegelaten worden, bijvoorbeeld met het oog op natuurherstel of klimaatadaptatie. Dit wordt vastgelegd in het Gewenste Grond- en Oppervlaktewaterregime (GGOR). Een GGOR komt in het algemeen tot stand in een interactief proces, waarin betrokken actoren (overheden, water- en natuurbeheerders, agrariërs en andere betrokkenen uit bedrijfsleven en maatschappelijke groeperingen) deelnemen. Dit bevordert het draagvlak voor het eindresultaat. De GGOR vormt het beleidskader voor uitvoeringsprojecten, zoals de eerder genoemde Integrale Gebiedsuitwerking voor  herinrichting van het Loobeekdal (Noord-Limburg).

Een GGOR wordt uiteindelijk vastgesteld door de provincie en maakt onderdeel uit van het Pprovinciaal Wwaterbeleidplan, dat vervolgens met de nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening (Wro) weer onderdeel is van het omgevingsbeleid. De omgevingsvisie of integrale structuurvisie is daarin de centrale planfiguur, Met de nieuwe Waterwet is het Waterplan, voor wat betreft haar ruimtelijke aspecten, een Structuurvisie als bedoeld in artikel 2.2 (tweede lid) van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het provinciaal Waterplan is niet bindend. Wanneer in het Waterplan ruimtelijke beleidsuitspraken opgenomen zijn die van provinciaal belang zijn, kan de provincie hiervoor als Wro-instrument de provinciale Structuurvisie inzetten. Een Structuurvisie is een beleidsdocument dat de ruimtelijke visie (van de provincie of van de gemeente) op de toekomst beschrijft. De juridische status van de Structuurvisie is niet bindend; er mag gemotiveerd vanaf worden geweken.

Indien op grond van het principe ‘Droogte stuurt functies’ de gewenste grondwaterstand in een gebied wordt gewijzigd in het provinciaal Wwaterplan, en aldus ook ruimtelijk wordt vastgelegd in de integrale Sstructuurvisie, zal deze verandering kunnen worden doorgevoerd en vastgelegd in een wijziging van het vigerend gemeentelijk bestemmingsplan. Er kan echter, zoals boven opgemerkt, ook gemotiveerd vanaf worden geweken. Bij wijziging in het bestemmingsplan, waarmee de gewenste grondwaterstand (volgens het GGOR) met bijpassend ruimtegebruik mogelijk wordt gemaakt, zal moeten worden aangegeven op welke wijze deze verandering gerealiseerd gaat worden. Zonodig is hiervoor Bbinnen de Wro is hiervoor het instrument van onteigening beschikbaar. Overigens kan dit instrument pas worden ingezet voor gedwongen onteigening, nadat alle mogelijkheden voor minnelijke schikking zijn verkend en afgewezen.

Naar boven
LOPENDE INITIATIEVEN EN ONDERZOEKEN

Plannen voor de aanpak van verdroging met o.a. ruimtelijke maatregelen maken deel uit van het uitvoeringsprogramma Hoge Zandgronden in het Deltaprogramma. De komende jaren zullen hieruit verschillende onderzoeken en praktijkpilots worden uitgevoerd. Ook het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer onderzoekt praktische mogelijkheden om droogteproblemen structureel aan te pakken, o.a. met ruimtelijke adaptatie van het landgebruik. Ook worden projecten uitgevoerd in het kader van het programma Natuurlijke Klimaatbuffers, die gericht zijn op klimaatadaptatie aan o.a. toenemende verdroging.

Het GGOR is gebaseerd op kennis over hydrologische randvoorwaarden voor het realiseren van functiedoelen (doelrealisatie). Van Walsum et al. (2002) hebben de applicatie `Waterwijs’ ontwikkeld die oplossingen voor ruimtelijke en wateropgaven zoekt in de vorm van optimale regionale inrichtingsplannen met de bijbehorende waterbeheersmaatregelen. Gehrels et al. (2002) hebben een methode ontwikkeld waarmee conflicterende hydrologische functie-eisen (o.a. landbouw – natuur) onderling kunnen worden afgewogen en vergeleken met alternatieven op basis van doelrealisatie en functiewaardering. De methode is ontwikkeld en toegepast voor gebieden in Laag Nederland (het herinrichtingsgebied Reeuwijk) en Hoog Nederland (de Strijbeekse Heide). De alternatieven waren gericht op reductie van inlaat van gebiedsvreemd water (Reeuwijk) en het tegengaan van verdroging door o.a. het dempen van sloten. Deze methoden kan kunnen behulpzaam zijn bij het bepalen van maatschappelijk kansrijke situaties voor toepassing van het principe ‘Droogte stuurt functies’.

Kessels (2012) stelt in zijn analyse van de mogelijkheden om de watervraag in het beheersgebied van het Waterschap Aa en Maas te verminderen, dat er nog geen concrete voorbeelden bekend zijn om met inzet van instrumenten uit de ruimtelijke ordening te komen tot reductie van de watervraag. In die studie worden wel de nodige praktijkervaringen uit de sectoren landbouw en industrie beschreven, die bijdragen tot vermindering van de watervraag.

In de Bestuurlijke Rapportage over het Deltaprogramma Zoetwater (Programmateam Zoetwater, 2012) wordt kort ingegaan op de effectiviteit van regionale en lokale maatregelen om, ook bij klimaatverandering, in de waterbehoefte te kunnen blijven voorzien. Deze regionale aanpak vormt één van de mogelijke zoetwaterstrategieën uit het
Deltaprogramma (‘Water stuurt de ruimtelijke ordening en de gebruiker’). Met deze strategie worden mogelijkheden benut om tot meer zoetwater-zelfvoorziening te komen bij gebruikers en (door een andere ruimtelijke inrichting) in gebieden. Deze rapportage komt tot de conclusie dat er nog onvoldoende informatie beschikbaar is om een kwantitatieve inschatting te kunnen maken van de effectiviteit van dergelijke maatregelen. Het Programmateam Zoetwater concludeert dat een andere ruimtelijke inrichting om een trendbreuk in het huidig beleid vraagt en dat daarom hierover niet makkelijk informatie verkregen kan worden.

Voor de Gronings-Drentse Veenkoloniën is berekend hoeveel ruimte nodig is om met waterconservering op maaiveld te komen tot een zelfvoorzienend watersysteem te komen in dat landbouwgebied, dat nu nog voorzien wordt van wateraanvoer over grote afstand uit het IJsselmeer (Querner et al., 2011). Berekend is dat bij het huidig klimaat hiervoor ongeveer 7 % landbouwgrond in de laag gelegen delen omgevormd zoumoeten worden tot waterconserveringsgebieden. Door klimaatverandering zal de waterbehoefte door als gevolg van hogere verdamping verder toenemen en zal (bij het klimaatscenario W+) de zomerneerslag verminderen. Dan zou nog zo’n 5% extra landbouwareaal nodig zijn om tot 100% regionale zoetwaterzelfvoorziening te komen. Realisatie van een dergelijke omvorming vraagt om een grote herinrichting volgens het principe ‘Droogte stuurt functies’. De verwachting is dat het toekomstigDe vergroeningsregeling in het nieuwe Europese Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (G LB) hiervoor kan hierbij worden ingezetondersteuning zal kunnen bieden.

Het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) (http://agrarischwaterbeheer.nl/) van de land- en tuinbouworganisatie LTO pleit onder meer voor een zuiniger gebruik van zoetwater met het oog op de verwachte toenemende waterschaarste. In de uitvoeringsfase van het DAW zullen dergelijke maatregelen in praktijkprojecten op bedrijfs- en gebiedsniveau worden uitgetest.

In een aantal projecten van de Coalitie Natuurlijke Klimaatbuffers wordt verkend welke mogelijkheden er zijn om in natuurontwikkelingsprojecten efficiënter met zoetwater om te gaan. Hiermee wordt beoogd om, na realisatie van de functieverandering naar natuur, de watervraag te verminderen. Dit gebeurt b.v. bij de klimaatbuffers Hunze en Regge door kwel aan de flanken in natuurgebieden op te vangen en vast te houden.
Het Kennis voor Klimaat onderzoek van Ellen et al. (2011) naar multifunctioneel landgebruik als adaptatiestrategie in Noord-Brabant is relevant voor inzicht in procesmatige succesfactoren (governance aspecten) bij de implementatie van ‘Droogte stuurt functies’. Methoden als speed daten, Pecha Kucha en workshops kunnen leiden tot nieuwe samenwerkingsverbanden tussen partijen met verschillende belangen. Het gezamenlijk opstellen van een business plan is een goed middel om de praktische invulling van principe als ‘Droogte stuurt functies’ voor alle partijen helder te maken.

Naar boven
KENNISLEEMTES

Met het beperken van de watervraag via ruimtelijke herschikking van functies is tot heden nog nauwelijks weinig ervaring opgedaan. Het principe ‘Droogte stuurt functies’ bestaat in feite alleen nog in theorie. Er zijn wel inrichtingsconcepten, die een relatie hebben met het principe ‘Droogte stuurt functie’, zoals het 5B-bekenconcept van Verdonschot (2010) en het principe ‘Functie volgt peil’ (Bosch Slabbers, 2006) in veenweidegebieden. Maar ook hiervoor geldt dat praktijkervaring nog in de kinderschoenen staat. Er is dan ook grote behoefte aan experimenten of pilots op gebiedsniveau, om daarmee meer kwantitatieve ervaring op te doen met procesmatige, economische en ecologische aspecten, en meer zicht te krijgen op de kosten en baten van projecten die gebaseerd zijn op bijdrage die het principe ‘Droogte stuurt functies’ in verschillende gebiedstypen kan leveren aan het oplossen van de wateropgaven. Dit laatste is urgent, omdat in het Deltaprogramma Zoetwater (2011, 2012) wordt geconcludeerd, dat over de effectiviteit van aanpassingen in de ruimtelijke ordening en inrichting voor vermindering van de waterbehoefte nog heel weinig bekend is.

Er is meer kennis nodig over de vraag hoe draagvlak kan worden verkregen voor een watergestuurde ruimtelijke inrichting op nationale, regionale en lokale schaal. Daarbij kan aangesloten worden bij de participatieve benadering in het nieuwe omgevingsbeleid, waarin integrale oplossingen voor ruimtelijke en wateropgaven op de verschillende schaalniveau’s centraal staan.Er zijn in dat kader wel enkele MKBA-studies uitgevoerd. Deze geven een positief beeld van het kosten/baten saldo wanneer voor water als sturend principe voor de ruimtelijke inrichting wordt gekozen. Toch heeft dit nog nauwelijks geleid tot toepassing van dit principe in uitvoeringsprojecten..

Ook over bestuurlijk-juridische consequenties en mogelijkheden bij toepassing van het principe ‘Droogte stuurt functies’ bestaan nog nauwelijks praktijkervaringen binnen de huidige wet- en regelgeving.

Naar boven
LITERATUUR EN LINKS

- Bonte, M. et al., 2010. Ordening van de ondergrond. Een fysiek en juridisch afwegingskader. KWR-rapport 2010.010, Nieuwegein.

- Bos, E. en T. Vogelzang, 2008. MKBA Peilverandering Polder Zegveld. Rapport LEI, Den Haag.
 
- Bosch Slabbers Tuin- en landschapsarchitecten, 2006. Functie volgt peil. Investeren in een duurzame economische basis voor het westelijk veenweidegebied. Den Haag.
 
- Coalitie Natuurlijke Klimaatbuffers, 2012. Kennis en kansen. Tussenrapportage 2010-2012.  
 
- CPB, 2006. Second Opinion MKBA Functie volgt Peil. CPB notitie. Den Haag.
 
 
 
- Gehrels, J.C., et al. (2002). Functieafweging op basis van doelrealisatie en waardering. Methode en toepassing. STOWA rapport 2002-31 / Waternoodrapport 8.
 
- Gilissen, H.K., J. Robbe, H.F.M.W. van Rijswick, 2009. De positie van het waterschap in gebiedsgericht beleid. Wie betaalt bepaalt? Advies over de juridische status en onderlinge afstemming van omgevingsrechtelijke plannen en instrumenten die een relatie hebben met het waterbeheer. Advies aan het Waterschap Vallei en Eem. Universiteit Utrecht.
 
- Jansen, P.C., H. Th.L. Massop, A.A. Veldhuizen, M.H. Mulder en C. Kwakernaak, 2015. Waterberging in Het Waterrijk. Alterra rapport 2667, Wageningen. .
 
-  Hattum, t. van, C. Kwakernaak, T.P. van Tol, J. Roelsma, M.E.A. Broekmeyer, A.M. Schmidt, E.M. Hartgers en S.L. Nysingh, 2014. Water en Natuur: Een mooi koppel! Onderzoek naar de succesfactoren, belemmeringen en kansen voor het meekoppelen van water- en natuuropgaven. Alterra-rapport 2533. Wageningen.
 
- Kessels, J., 2012. Kennisdocument Vraag Verminderen. Concept. Royal Haskoning, ’s-Hertogenbosch.
 
-Kreveld, Arnold van, Wim Braakhekke en Gerard Litjens, 2013. Natuurlijke klimaatbuffers. Mogelijkheden om geld te besparen door de inzet van natuur; een quick scan. Uitgave Bureau.
 
- Kwakernaak, C. en P.L. Dauvellier, 2007. Naar een klimaatbestendig Groene Hart. Routeplanner 2010 – 2050. Uitgave Klimaat voor Ruimte, Leven met Water en Habiforum. Gouda. http://www.levenmetwater.nl/static/media/files/RP_Naar_een_klimaatbestendig_Groene_Hart.pdf
 
- NIROV, 2009: Bodemvenster. Output-reeks nr. 15, Den Haag.
 
- Programmateam Zoetwater, 2011. Knelpuntenanalyse Deelprogramma Zoetwater. Deltaprogramma.
 
- Programmateam Zoetwater, 2012. Bestuurlijke Rapportage Deelprogramma Zoetwater. Deltaprogramma.
 
- Provincie Drenthe, 2014. Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2014. Assen.
 
- Querner, E.P., P.C. Jansen en C. Kwakernaak, 2011. Robuuste watersystemen in de Veenkoloniën. Verkennend onderzoek naar mogelijkheden voor zelfvoorzienende watersystemen. Alterra rapport 2110, Wageningen.
 
- Riet, Bas van de, Roel van Gerwen, Hartger Griffioen, Niels Hogeweg, 2014. Vernatting voor veenbehoud. Carbon credits & kansen voor paludicultuur en natte natuur in Noord-Holland. Landschap Noord-Holland, Rapportnummer 14015. Heiloo.
 
 
- Veenweidepact Krimpenerwaard, 2005. Bergambacht
 
 
- Walsum, P.E.V. van; Helming, J.F.M.; Schouwenberg, E.P.A.G.; Stuyt, L.C.P.M.; Groenendijk, P.; Bont, C.J.A.M. de; Vereijken, P.H.; Kwakernaak, C.; Bakel, P.J.T. van; Staalduinen, L.C. van; Ypma, K.W., 2002. Waterwijs; plannen met water op regionale schaal. Alterra rapport 433. Wageningen
 
- Waterschap Peel en Maasvallei, 2010. Nieuw Limburgs Peil. Eindrapportage. Venlo.
 
- Waterschap Peel en Maasvallei, 2012. Jaarverslag 2011. Venlo.
 
- Witteveen+Bos en Ecorys, 2006a. Samenvatting MKBA Polder Groot Mijdrecht Noord. Ongepubliceerd. 
 
- Witteveen+Bos en ECORYS, 2006b. MKBA Functie volgt Peil Westelijk Veenweidegebied. Rotterdam. Ongepubliceerd. 
 
- Woestenburg, 2009. Waarheen met het veen. Kennis voor keuzes in het westelijk veenweidegebied. Uitgave Landwerk, Wageningen.
 
Links naar websites en projectinformatie:
 
Deze factsheet is opgesteld door Alterra, december 2012 en geactualiseerd in februari 2016.
Naar boven
DISCLAIMER

De in deze publicatie gepresenteerde kennis en diagnosemethoden zijn gebaseerd op de meest recente inzichten in het vakgebied. Desalniettemin moeten bij toepassing ervan de resultaten te allen tijde kritisch worden beschouwd. De auteur(s) en STOWA kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele schade die ontstaat door toepassing van het gedachtegoed uit deze publicatie.

Naar boven
PLAATS UW REACTIE
Uw reactie stellen wij bijzonder op prijs. STOWA zal de reacties meenemen in de updates van de Deltafacts, die regelmatig worden uitgevoerd.
Uw naam en
organisatie
E-mailadres
Reactie